![]()
History
Home
Aan het boek van Franz
Rixen van Februari 1949 ontlenen wij het volgende:
De naam Odenkirchen is niet te verklaren, dat is gebleken
uit oorkonden en
andere stukken. Hierna geven wij een verklaring hoe de
naam waarschijnlijk is
ontstaan.
Er is geen twijfel mogelijk dat het laatste deel van de
naam Odenkirchen het woord ``kerk`` aanduidt en dat de naam ontstaan is nadat
er een Christelijke kerk is gesticht.
De verchristelijking van ``Mulgaues``, een Gau is een
landstreek, was in het jaar 700 voltooid.
Zou er voor die tijd een kerk aanwezig zijn geweest, wat
niet bewezen is, dan kan de naam Odenkirchen op zijn vroegst in het jaar 800
zijn ontstaan.
Odenkirchen moet een behoorlijk grote nederzetting
geweest zijn omdat alleen grote nederzettingen een eigen kerk stichtten.
Of Odenkirchen in de Frankische of Romeinse tijd al
bestond en hoe het toen geheten heeft weten wij niet.
Omdat er in Odenkirchen bij de afbraak van de Laurantiuskerk
(1894)in het koor brokstukken zijn gevonden uit het jaar 1000, weten wij dat de
geschiedenis van Odenkirchen ver terug gaat. Dat de brokstukken van de eerste
Laurentiuskerk waren, is niet aannemelijk omdat er in die tijd houten kerken
gebouwd werden, die naderhand vervangen werden door stenen.
Het woord Odenkirchen komt in bewaard gebleven stukken in
verschillende vormen voor, namelijk: Hudenkirchen in het jaar 1028,
Houdenkirchen in 1100, Udenkirchen in 1106, Uodenkirchen in 1109, Utlingkirchenin
1155, Oedenkirchen in 1298, Odenkirken in 1307 Odinkirken in 1308, Udenkirghen
in 1333, Oydenkirchen in 1341, Oudenkerken in 1468.
Men heeft getracht Odenkirchen te verklaren als een kerk
die op een vroegere
offerplaats van de god Odin of Wodan gebouwd was. Dit
moet bestreden worden.
Het Christendom deed alle moeite om verbindingen en
herinneringen aan het
heidense verleden van de bekeerde Franken te verwijderen.
Het is niet aannemelijk dat de herinnering aan een
heidense god in een
Christelijke kerk levend gehouden werd.
Rudolph Wiedeman ( pastoor van de Katholieke kerk van
Odenkirchen, 1879) heeft in "De geschiedenis van Odenkirchen" vanuit
de geografische situatie een bruikbare verklaring gegeven.
Hij verwijst naar een dorp Oedt, in het gebied van
Kempen, eveneens aan de rivier de Niers gelegen. Oedt betekent: een dorp in een
waterrijke, drassige omgeving.
Dit dorp Oedt, komt in de oorkonden voor als Hude in het
jaar 1170, Ude in 1317,
Uyde in 1468, in de gelijke vorm als het eerste deel van
het woord Odenkirchen.
Daarom wordt Odenkirchen aangeduid als een kerkoord in
een waterrijke
omgeving.
Nu een overgang naar de
feiten.
De eerste Kerken waren van hout en leem gebouwd.
Zij waren erg klein, alleen de geestelijke bevond zich in
de kerk, de gelovigen hielden zich buiten op. Voor de preek kwam de geestelijke
naar buiten.
In het jaar 1000 waren bakstenen kerken ondenkbaar
vanwege de hoge kosten.
Zoals reeds vermeld is de oorsprong van de naam
Odenkirchen in het duister
gehuld. De naam van de burcht Odenkirchen is
oorspronkelijk voortgekomen uit een
Frankische ``Salhof``. Dit is de kern van de plaats
Odenkirchen en kan voor de
geschiedenis van Odenkirchen maatgevend zijn.
De bezitters van de burcht noemden zich ``Dinasten``, Burchtgraven
of gewoon
Graven.
De eerste keer dat de naam Odenkirchen genoemd werd, was
in het jaar 1028.
In dat jaar worden graaf
Hudenkirchen en ene Herman von
Norvenich als getuigen genoemd in een oorkonde, waarin een Pfalzgraaf Ezo( Paltz
is een burcht in het Duits) de vader van de Keulse aartsbisschop Herman II,
zijn bezittingen in Lovenich ( in de provincie Keulen ) aan de abdij Brauweiler
schenkt.
In een oorkonde van 9 januari 1106 worden als getuigen
genoemd; graaf Herman von
Odenkirchen en zijn broer Arnoldus. Ook in verdere
oorkonden onder aartsbisschop
Friderich I van Keulen worden in de jaren 1106, 1116, en
1118 edelheren of
graven van Odenkirchen genoemd.
De burcht Odenkirchen is in 1919 het eigendom geworden
van de Katholieke gemeente en gekocht van particulieren.
De oudste berichten
over Odenkirchen.
De oudste uit het bekende geslacht van de edelheren van
Odenkirchen, bekleedde
het ambt van domvoogd bij de kerk van Keulen. Reeds onder
de Otionen had de kerk
met al haar goederen de immuniteit en onafhankelijkheid
gekregen van de staat.
De koningen konden rechtspreken over de kerk maar hebben
dit recht overgedragen
aan de Bisschoppen en Abten.
Er werd een voogd benoemd, die in naam van zijn heer, de
rechtspraak uitoefende
en die het recht van de kerk intern en extern
vertegenwoordigde omdat de
Geestelijken geen bloedoordeel konden voltrekken.
Er zijn bewijzen dat de graven van Odenkirchen door
Keulen als Kerkvoogd zijn benoemd en dat de titel werd vererfd. Dit is een
bewijs voor de betekenis van het geslacht Odenkirchen.
Graaf Christiaan
werd reeds in een oorkonde van 1028 als kerkvoogd genoemd, zijn zoon
Christiaan II is van 1043-1075 hoofdvoogd van de kerk van Keulen geweest.
Ene Arnold was van 1085 - 1109 hoofdvoogd, dit is
gebleken uit een oorkonde uit 1085 van aartsbisschop Sigwin van Keulen (1079
-1089).
Onder aartsbisschop Arnold II von Wied (1151 - 1156), was
het oude gravengeslacht in de mannelijke lijn uitgestorven.
Een erfdochter was vermoedelijk Mathilde, de vrouw van
Adelbertus von Saffenberg.
De tweede erfdochter Udilhildis was gehuwd met Graaf
Ludwig II von Arnstein.
Hun zoon Ludwig III was een wildeman, hij bekeerde zich
in 1139 en stichtte samen met zijn vrouw Jutta von Boyneburg het Pråmonstrater klooster
Arnstein.
Hij is zelf als Pater in dit klooster ingetreden.
Het schijnt dat zijn vader Ludwig II in de tussentijd
gestorven is omdat zijn gemalin Udilhildis zich terugtrok in haar stamslot
Udinkirchin.
In haar levensbeschrijving wordt uitdrukkelijk verklaard
dat zij van een oud en
beroemd geslacht afstamde.
Zij moet in 1150 nog in leven zijn geweest. Als sterfdag
wordt 5 juli aangegeven. Zij is als laatste in de rij van de Keulse
hoofdvoogden, in de Keulse Dom bijgezet.
Rudolph Wideman schrijft dit in zijn boek`` Geschichte
der ehemahlige
Herrschaft
und des Hauses Odenkirchen``. Hij geeft als sterfdag van Udilhildis
aan 5 Juli 1109 en zij zou haar burcht Odenkirchen aan de
Keulse aartsbisschop
gegeven hebben.
De sterfdatum is merkwaardig! Wij moeten aannemen dat zij
niet voor 1158
gestorven is.
De gravelijke Wied- Neuwiedische directeur Fischer
schrijft in zijn
"Geslachtsregister van het uur oude van Huis
Isenburg, Wied en Runkel`` uit het
jaar 1774 dat het sterfjaar van Udilhildis 1109 zou zijn
maar schrijft verder
dat het sterfjaar tussen 1150 en 1160 zou liggen.
Ook schrijft Norrenberg dat zij in 1150 nog in leven was.
Nog een reden is de oorkonde uit 1158 waarin de Keulse aartsbisschop Fridrich
II Graaf von Berg (1156- 1158) verklaart, dat zij de Georg-stichting in Keulen,
een molen in het gebied Udenkirchin schenkt.
Het is opvallend dat, nadat zij gehuwd was met Graaf
Ludwig von Arnstein, nog
steeds de naam ``nobilisima comitesma de Udinkirchin``
draagt.
Het was in die tijd gebruikelijk dat een gehuwde vrouw de
naam van haar man aannam of het moet zo
geweest zijn dat haar naam belangrijker was dan die van haar man .
Zeker is dat Udilhildis haar stamgoed Odenkirchen aan de
Keulse aartsbisschop
heeft overgedragen, waarschijnlijk geschonken en niet
verkocht, afgaande op haar verbondenheid met de kerk van Keulen.
De bijzetting in de Keulse dom was een erkenning van haar
macht. De Keulse
aartsbisschop Arnold II
von Wied (1151 - 1152), koopt in 1150 de burcht
Odenkirchen van Keizer Konraad III.
Wij waren verbaasd dat de burcht die door Udilhildis aan
de aartsbisschop van
Keulen overgedragen was, in het bezit van de Keizer is
geweest.
Aegidius Gelenius geeft in zijn ``Colonia Sacra`` Arnold
II de verkwanselingen
van de eigendommen van de kerk van aartsbischop Frederich
I (1099 - 1131)aan.
Arnold II koopt in 1150 met veel geld de eigendommen
terug o.a. de burcht Odenkirchen met beambten.
In Keulen werd vastgesteld dat de Keizer besloot dat niemand
van het
aartsbisdom Keulen bevoegd was, privileges te geven of te
verpanden. Indien deze zaken wederrechtelijk zouden geschieden, de opvolger
niet gebonden was aan de transacties.
Op 14 juli 1153 bevestigt Keizer Friderich Barbarossa aan
de Keulse aartsbisschop Arnold II, het bezit van de burcht Odenkirchen; ook
bekrachtigt hij de uitspraak van het gerechthof dat de tafelgoederen niet
uitgeleend mochten worden en dat goederen die aarsbisschop Friederich I te leen
had gegeven, werden terug gevorderd, het slot Odenkirchen met ambtenaren,
knechten en dienstmaagden en al het andere.
Wij bevestigen hierbij dat alle bezittingen die
aartsbisschop Arnold voor geld
gekocht had zoals Odenkirchen in vrede mag bezitten.
In een Keizerlijke oorkonde van 1153 werd bijzonder
vermeld dat Odenkirchen een ``Castelium``, slot ,een burcht was, met
ministeriële ambtenaren, knechten, en dienstmaagden.
Je kunt stellen dat Odenkirchen in die tijd belangrijk
geweest moet zijn.
Toen keurvorst Clemens August 1723 - 1761, in het jaar
1745 de burcht
Odenkirchen kocht, voegde hij aan zijn titels nog de
titel Heer van Odenkirchen
toe.
De oude Keulse aartsdiocese werd ingedeeld in boven en
onder domkapittel.
Odenkirchen en Alphen waren de hoofdzuilen van de vestigingen;
de sterkste hoofd
zuilen van de vestigingen waren Reineck en Drachenfels.
In het jaar 1153 was Odenkirchen, door de Keizer
bevestigt, eigendom van de Keulse erfschenking.
De reeds genoemde ambtenaren waren ondergeschikten die
hof en oorlogdienst vervulden. Oorspronkelijk behoorde zij tot de, niet vrijen.
Zij kregen later het wapenrecht en kwamen tot een
eervolle stand met het recht
van de ridderstand.
Als loon voor hun diensten kregen zij kleding, eten en
een stuk grond dat men een burchtleen noemde(door de burcht uitgeleend).
De rest van de bewoners in het burchtgebied behoorde tot
de stand der niet
vrijen ``servi et ancillae``. Het waren knechten,
dienstmaagden, handwerkers, en
immigranten.
In het jaar 1153 waren de burchtgraven van Odenkirchen
vazallen en leendragers
van de Keulse aartsbisschoppen.
In zijn heerlijkheid oefende de Heer van Odenkirchen, in
opdracht van de Keulse leenheren, het bestuur en de lagere rechtspraak uit. De
Keulse keurvorst had het recht de landelijke politiezaken voor de betreffende
bewoners te treffen en belastingen te heffen.
De balansrekening werd niet door een ambtenaar van
Liedberg gemaakt maar door de
Odenkircher ambtenaren
Het is niet mogelijk om van alle burchtgraven de
ambtstermijn vast te leggen maar uit de documenten blijkt dat er hele reeks
bestaat.
De eerste onder de Keulse heersers is burchtgraaf Rabodo
I, hij kwam voort uit
een Keuls geslacht. Wij nemen aan dat deze eerste
burchtgraven voortdurend op de
burcht Odenkirchen gewoond hebben, maar de ambten die zij
in de Keulse kerk
bekleed hebben, dwong hen in Keulen te wonen.
In 1167 huurde Rabodo de Udenkirchen een huis naast zijn
huis op de Vleesmarkt
te Keulen. De burchtheren van Odenkirchen waren in die
tijd rijk van eigendommen
in Keulen voorzien.
In 1200 was Robodo I een van de meest geziene
huisbezitters naast Arnold von Rubbelrath en Heirich von Gladebach. In 1220
wordt burchtgraaf Gerard I genoemd, hierover is niets nader bekend.
Op Gerard I volgt Gerard II en Robodo II, het waren
broers.
Op de 2e of de 5e juni 1254, verplichtte aartsbisschop
Konrad von Hochstaden
(1238 - 1261) een burger uit Neuss, 4 mark te betalen die
hij van de gebroeders Gerard II en Rabodo II geleend had.
De edelman Otto von Wiskrath had een deel van zijn
wijngaard die in Bonn gelegen
was, aan de Keulse aartsisschop afgestaan. Dit werd
bevestigd door de stad en hij werd schadeloos gesteld.
Op 28 juni 1244 verstrekte aartsbisschop Konrad, aan Otto
von Wickenrath 50
Keulse mark die in porties van 5 mark bij de
belastingdienst in Neuss afgehaald
moest worden, zou deze betaling niet in Neuss afgehaald
worden dan hadden Otto
von Wickenrath of zijn erfgenamen het recht na een
periode van 3 weken uit de
inkomsten van Odenkirchen schadeloos gesteld te worden.
Graaf Wilhelm von Julich bepaalde, dat de onderdanen in
de molen van Uppingdorf
hun graan moesten laten malen, hij had de molen gekocht
van de burchtgraaf
Gerard von Odenkirchen.
In November 1263 was aartsbisschop Engelbert graaf von
Falkenburg (1261 -
1274), bij een strijd met de gemeente Keulen, door de
Keulse burgers gevangen
genomen en in een huis aan de Rheingasse in bewaring
gehouden.
Wegens de aan de aartsbisschop aangedane smaad, legde de
Paus een vergelding(boete) op.
In dit document werd ook Rabodo van Udenkirchen genoemd.
De dragers van de naam
Rabodo bevinden zich ook in de oorkonden van 8 maart 1265, 1269, april 1279,
januari 1297 en 30 september 1297.
In de laatst genoemde oorkonde wordt ook de broer van
Rabodo genoemd. Het
sterfjaar van Rabodo is niet bekend, hij leefde nog in
1263.
De in 1280 gestorven Mechtild, burchtgravin von
Odenkirchen, de dochter van voogdes Justine von Straelen was vermoedelijk zijn
vrouw.
Rabodo III volgde Rabodo II op, hij leefde tot 1300 en
was gehuwd met Beta von
Huchelhoven.
In het jaar 1280 verkochten Rabodo von Odenkirchen en
Wilhelm Schenk von
Nideggen hun bezittingen voor 175 mark aan het
dom-kapitel.
Op 22 juli 1292 getuigden Otto von Wickenrath en Gerard
von Odenkirchen, de laatste was waarschijnlijkde eerst geboren zoon van Rabodo
III, voor het gerecht te Fleistedem dat 12 morgen akkerland aan de
Apostelstichting te Keulen waren overgedragen.
Op 11 december 1295 gaf Graaf Rabodo von Udenkirchen 50
morgen akkerland gelegen
in het gehucht Kirchspiel, van de hof van Kemenate aan de
Graaf Arnold von Loyn in leen.
Op 10 augustus 1300 verdeelde Rabodo III zijn omvangrijke
goederen. Zijn eerst
geboren zoon, Ridder Gerard kreeg de burcht Odenkirchen,
tienden, bruggen,
wouden, molens, vazallen, renten op de geleende
eigendommen van Keulen,
bovendien kreeg hij de goederen in Gotterroyde in leen
van Waldobo von
Novocastrum (Neuerburg bij Norff) hij moest 7 mark en 6
schilling betalen
waardoor hij een vazal werd van de graaf von Gelderen.
Deze erfenis bewijst dat de Graven von Odenkirchen rijk
waren. Zijn broer
Raboldo moest hier bovengenoemde Ridder Gerard, 6 mark
betalen van de goederen in Neukirchen en Sasserrath die zijn oom Raboldo III
als erfenis gekregen had.
Getuigen bij de erfenisdeling waren Gerard, Engeram,
verder de deken van de
Christianitet Bergheim, genaamd Godschalk, Konrad Hukine
en Wilhelm von
Giesenkirchen. Rabodo III (1300 - 1323) wordt opgevolgd
door zijn oudste zoon
Gerard.
Hij noemde zich naar zijn bezittingen in Busdorf (bij
Bergheim) Gerard von
Busdorf. In het jaar 1297 hadden Gerard en zijn gemalin
Blys, met toestemming
van Gerard von Odenkirchen, een broer van Rabodo von
Odenkirchen en van de abt
van St Pantaleon, hun hof in Elfgen en hun bezittingen in
Kierchspiel, de hof
Kemenaten, aan de graaf Arnold von Loyn Gustorf aan de
Deutscherre verkocht.
Bij de hierdoor genoemde erfscheiding was Rabodo, de
broer van Gerard, er
betrekkelijk bekaaid van af gekomen. Hij was een zeer
onrustige en strijdlustige
figuur.
Met pinksteren in het jaar 1300 kwam het in de nabijheid
van Linn, tot
een bloedig gevecht tussen de ridder Rabodo von
Odenkirchen en ridder Gottfried
von Dreven, een familielid van de Graaf von Odenkirchen
had daarbij de dood
gevonden.
Aartsbisschop Wickbold von Keulen (1297 – 1304) liet
Rabodo in de gevangenis
werpen.
Vele Edellieden probeerden Rabodo vrij te krijgen. Graaf
Reinhald von Gelderen,
Arnold von Lohn en Wilhelm von Neuenahr bewerkten zijn
vrijlating tegen een
garantie van 6000 mark en
de belofte dat Rabodo zich rustig zou houden tot de
gerechttermijn.
Hoe het in Neuss gevelde oordeel uitgevallen is weten wij
niet, de straf schijnt
niet zo zwaar geweest zijn, misschien is hij vrij
gesproken.
De rechtspraak in die
tijd is merkwaardig.
De in de Latijnse taal gestelde burchtoorkonde is bewaard
gebleven, deze geeft
een merkwaardig inzicht in de rechtspraak van die tijd.
Van degenen die in het stuk beschreven zijn noemen wij:
graaf Reinald van
Gelderen, Arnold von Lohn en Wihelm von Neuenahr, Walram
heer van Bergheim,
Luove van Kleve, ridder von Hikerode heer van Kuyk,
Gerard, heer von
Blankenheim, Johannes heer von Reifferscheid, Ludolf heer
von Wickrath, Gerlach
heer von Dollendorf, Wilhelm heer von Helpenstein,
Heinrich, zoon van de
genoemde heer von Kuyk, Scheifart von Rode, Herman von
Hademar, Gerard genaamd
Rost, Arnold von Heppendorf, Arnold von Bachem, Daniel
von Bachem, Heinrich
genaamd de burchgraaf von Honstaden, Werner von
Berghausen, Ludwig von
Stommelen, Johan von Hersel, Arnold von Pomerio, ridder
Gerard von Dyck.
De vervatting van de onderhavige akte, met het officiële
zegel van de
hoogeerwaardige vader en onze heer Wickhold,
aartsbisschop van de Keulse kerk en
aartskanselier van de heilige stoel van Italie.
De burchtgraaf Rabodo von Odenkirchen wegens zijn begane
overval op Godfried von Dreven, in dezer dagen gevangen genomen in de stad Neuss,
en daarna losgelaten. Wij hebben de aartsbisschop bevolen voor Rabodo, een borg
te stellen van 6000 mark, onder de navolgende bedingingen: zodra en wanneer
door de voorgenoemde heer aartsbisschop deze Rabodo voor het gerecht in Neuss
zou worden geroepen wegens door Rabodo
begane misdaad, dient deze Rabodo binnen acht dagen na de oproep door dezelfde
heer aarsbisschop op behoorlijke wijze voor het gerecht te verschijnen om zich
wegens de begane misdaad aan het recht te onderwerpen.
Als deze Rabodo niet voor het gerecht verschijnt dan zijn
wij geroepen
door de zelfde heer aartsbisschop, ons in de stad Neuss,
onder geen beding van
de betaling te onthouden, niemand van ons wordt door
betaling van zijn
aandeel van de som van 6000 mark vrijgesteld, en een
ieder wordt verantwoordelijk gesteld voor het ganse bedrag.
Wij hebben de graven van Lohn en de heer von Bergheim en
Blankenheim voor Rabodo
en zijn bij Linn gedode familielid en hun vrienden van
Godfried bieden wij een
wapenstilstand aan die door alle partijen zal worden
aanvaard totdat de genoemde Rabodo aan het genoemde gerecht voldoet. Ter
bevestiging van deze oorkonde wordt deze gezegeld met ons Graven en Adelzegel,
gegeven en behandeld te
Neuss op Donderdag na de octaaf van Pinksteren in het jaar
1300.
In de oorkonden van 15 maart 1307 en 16 november 1303
wordt genoemd Rabodo de
Odenkirchen en Rabodo de Odenkirken.
Op 14 juni 1312 staat Rabodo ridder von Odenkirchen aan
de graaf von Julich en
zijn gemalin Elisabeth zijn hof te Drove af en krijgt de
Neuhof bij Giesen in
leen. De grootte van een Hof lag tussen de 30 en 60
morgen land.
De vrijdag na Martini in het jaar 1312 verkoopt Gerard
von Nuyvenheim aan Frau
Alverade en haar kinderen een leengoed te Berghausen
supra Furdt voor 530 mark.
Er is een zegel toegevoegd van Gerard burchtgraaf von Odenkirchen, Gumpert von
Garsdorf, Werner von Rode, Jacob von Hugelshoven en
ridder Adolf Rover en de
schepenen van Grevenboirg.
In 1316 pacht Bernekius von Odenkirchen van de St.
Geronstichting de
Giesenkirchener hof met alle inkomsten voor 100 malter
gerst (malter is een
graan maat) daarbij kwam men overeen alle
voogdijbelastingen te betalen.
Getuigen waren ridder Igheramus von Odenkirchen en de
schildknaap van Gerard von
Rheydt.
In een oorkonde van 1327 wordt het oord Kamphausen
genoemd, het behoorde
tot Juchen en daarmee tot Julich. Wilhelm, de eerst
geboren zoon van graaf
Gerard von Julich en heer van Grevenbroich verklaart de
3e November 1317, met
toestemming van zijn ouders, dat hij de geleende goederen
die tot de hof van
Kamphausen behoorden en in zijn heerschap gelegen waren,
zonder enige lasten zou
overnemen.
Deze goederen waren vroeger het eigendom van leenheer
Meiner von Odenkirchen
maar waren wegens verraad aan de leenheer afgenomen, en
na de dood van zijn
broer Peregrin aan zijn vader de Graaf von Julich
teruggegeven.
Nadien zijn zij aan zijn dochter en haar man meester
Johan von Hasselt, de
kleermaker van de Graaf, verhuurd.
Weer later verkochten meester-kleermaker, Johan von
Hasselt en zijn vrouw Agnes de overige goederen aan het klooster Dusseren. Op
26 december deelt Julich de
schepenen te Julich mee dat hij akkoord gaat met de
verkoop. In deze tijd
zijn er meer belangrijke oorkonden over ene Heinrich von
Odenkirchen en het
Benedikter klooster.
Odenkirchen een Lehen
und Offenhaus.
De van wallen en water voorziene sloten waren belangrijke
militaire steunpunten.
Het was gemakkelijk om de burchten te verdedigen en het
omliggende gebied te
beheersen.
Daarom probeerden de landvorsten ter bevestiging van hun
macht, zoveel mogelijk
burchten, omringt door sloten te verkrijgen.
Zij verkregen deze dikwijls door ze te kopen en het slot
of burcht dan weer aan
de vroegere eigenaar te verhuren, onder voorwaarde dat
zij in oorlog of strijd de landheer moesten steunen en hem hun troepen ter
beschikking stellen. Voor onderhoud en verpleging was de landheer
aansprakelijk.
Zulke burchten noemde men ``Offenhaus `` (castrum
ligium). Je burcht op die
manier over dragen, was niet onwaardig. Er ontstond een
eervolle band met de
leenheer die men in oorlog en vrede met belangrijke zaken
ter zijde stond. Men
noemde zich ``Ledigman``(homo ligius).
Dikwijls probeerden, in onzekere tijden, zwakke burchtbezitters
hun burcht te
koop te zetten en leenden zij de burcht terug. Zo
verkregen zij bescherming van
de landheer tegen de overvallen van machtige buren.
De overdracht werd met een schriftelijke verklaring en
onder toezicht van de getuigen getekend.
De leen was meestal erfelijk. Als dank voor de vele
diensten droeg de leenheer
de leen over van vader op zoon. Zo bleven veel geleende
goederen jarenlang in
het bezit van dezelfde familie.
Het is duidelijk dat de landvorsten hierdoor een
geweldige uitbreiding van hun
macht en geestelijke invloed kregen.
De Keulse aartsbisschop Phillip I, Graaf von Heinsberg
(1167 - 1191), verwierf in Rheinland en Westfalen talrijke burchten en kastelen
zoals Offenhauser.
Hiervoor betaalde hij de geweldigen som geld van 50.000.-
zilver mark.
In de 13e en 14e eeuw werden in Duitsland talrijke
burchten ``Offenhauser`` van de Keulse
aartsbisschoppen. Zo werd de Voorburcht van Millendonk in 1274, Huis Horst in
1338, Wevelinghoven in 1354, Livendal bij Grevenbroig in 1370, Holsbuttgen in
1412, Offenhaus van Julich werd Wickrath in 1310 , de burcht Rheydt in 1390.
Offenhaus von Gelderen werd Millendonk in 1300, Deyck in
1349 en in 1371. Ook de
burchtgraaf Gerard III von Odenkirchenen en zijn zoon Rabodo verpandden op 29
april 1321 hun slot Odenkirchen aan de Keulse
aartsbisschop Heinrich II, Graaf
von Virneburg 1304 -1332 tot een offenhaus
In het jaar 1323 hadden de burchtheer von Odenkirchen en
zijn zonen de
verbintenis vernieuwd.
Dit in het zelfde jaar, op de dinsdag voor het feest van
de heilige Vitus en Modestus (15 juni), bekrachtigt aartsbisschop Heirich
II `` Laut copirlichen scheines`` dat
Gerard von Odenkirchen en zijn zoon Rabodo voor de tweede maal hun slot
Odenkirchen tot een offenhaus verklaard
hebben en zich verplichten alle voorwaarden te vervullen.
Door deze verklaring werd de leenverhouding Odenkirchen
ten opzichte van de Keulse Bisschop niet zeer verandert. Voordat Udilhildis in
de twaalfde eeuw het slot aan de Keulse aartsbisschop overdroeg, was Odenkirchen
reeds een Keulse leen.
Het kwam ook voor dat een burchtheer zijn burcht aan
meerdere vorsten als een offenhaus overdroeg.
Zo droeg Rabodo von Horst zijn slot in 1375 voor 140 oude
Goldschilde
als offenhaus over aan de Graaf von Kleve en in 1399 aan
de heer von Heimsberg onder voorwaarde dat hij geen familie zou worden van de
Keulse bisschop.
Wickrath had niet alleen aan Julich offeningsrecht maar
ook nog aan Gelderen voor 1310, en Wevelinghoven.
De rechten van de Heren
von Odenkirchen.
De heren van Odenkirchen hadden enerzijds verplichtigen
tegenover hun Keulse
leenheer anderzijds rechten tegenover de bewoners van hun
burchtgebied, hun
onderdanen.
Deze rechten op inkomsten van slot en burcht zijn
opgetekend in de "Copia Regalium" .
Voor Odenkirchen zijn die als volgt in de openbare Slot
Registratuur openbaar
als volgt aangegeven.
Een heer en bezitter van het slot en burcht Odenkirchen;
is een machthebber over pijnlijke en burgerlijke zaken,
had gebod en verbod boven en onder de aarde,
had het recht van rechtspraak,
recht en macht aan de galg,
op het water of moeras,
met strik, stok, vuur en zwaard,
rechtspraak waar oordeel en inzicht gegeven en
uitgesproken werd.
De heer moet iemand vinden van onbesproken gedrag als
rechter en daarnaast 7
personen als schepenen, rechtschapen, en van onbesproken
naam en faam en gedrag, niet meinedig, niet gescheiden, hoerig, geen dief zijn,
en onder ede zoals God het wil kunnen bewijzen wat recht is en voor hun geweten
voor God en iedereen, een oordeel uitspreken en uitvoeren en dat doen wat hun
gerechtelijke plicht is.
De landheer en bezitter van slot en burcht Odenkirchen
heeft het recht straf uit
te delen in schurken en civiele zaken, als ook afgoderij, vloeken, paricidia
(moord op naaste verwanten) moord, doodslag,
huwelijksbreuk, hoererij, diefstal,
hanteren van verkeerde maten, ellen, gewichten, en
munten, gewelddadigheden, scheldwoorden, smaad en beledigingen.
Indien er sprake is van protest tegen het gerecht dan
zullen voogd en schepenen
naar behoren klachten aanhoren en beantwoorden, ook na
bewijsvoering het
oordeel en recht erkennen en uitvoeren.
De heer van zo'n oordeel beveelt de straf uit te voeren
of de veroordeelde
vrij te spreken.
Als er over erfenis, smaad of scheldwoorden recht
gesproken moet worden, is het
aan de voogd in plaats van de landheer een hoog
``Wette``( dat is 10 mark of 13
en een halve Gulden), als het om een kleine schade of
schuld handelt een kleine
wette ( dat is 8 en een halve schilling) op te leggen.
Als de rechtspraak
gehouden wordt na de dertiende dag (dat is Driekoningen)
dan wordt het bedrag
verdubbeld.
Dit waren de belangrijkste rechten van de burchtheren
over lijf en leden, leven en eigendom van de onderdanen.
Daarbij kwam een reeks kleine rechten. Zij hadden te
maken met alle ambtenaren,
bevelhebbers en hun lieden in de heerlijkheid. Zij werden
in hun ambt niet gehinderd door menselijke inspraak.
Zij hadden het recht de rechtsprekende personen, schepenen
en gezworenen te
erkennen en de eed van trouw af te laten leggen. De
Odenkircher en allen horend binnen de grenzen der heerlijkheid en hoogheid.
Alle jacht en wildvangst, zoals hazen, konijnen,
veldhoenders, wild en gevogelte
en zover groot wild in de heerlijkheid wordt
aangetroffen. Hem behoort de
visserij, op de Niers van Wickenrade, grote Weyer en
Mulenkolk tot aan de
Eychenholz molen en van Muelen-Trog tot aan
Zoppenbroicher Benden, alsook op de
Odenkirchen Weyheren.
Alleen de burchtheer had het recht een open wijnhuis en
Weinstube te houden.
Meerdere residenties en goederen waren volgens order van
de heer. Alle
victualiën (levensmiddelen) die nodig zijn voor slot en
burcht Odenkirchen,
zoals boter kaas, zout, reuzel, haring, stokvis, olie, en
alles wat tot de
keuken en de huishouding behoort.
Wijn die in de huishouding gebruikt wordt en wijn die in
de wijnschenkerij
verkocht wordt. De landheer en ook de waard, een
bediende, een opziener die de
wijn in bewaring houdt en de verschuldigde tol en weggeld
in rekening brengt.
Bij alle verkopen van zaken en andere erfgoederen valt de
burchtheer een
belasting van 10% van het verkochte ten deel. Alleen koop
of verkoop van goederen tussen broers en zusters waren belastingvrij.
Aan de landheer van Odenkirchen moest men over alle waren
op wagen, of karren en
verkoopbare paarden en beesten en vee belasting betalen
met uitzondering van
geprivilegieerde personen, lijfeigene van de heer, hoge
rechtspersonen van
Geistenbeck, hun goederen en beesten waren tol vrij.
In het regaliënboek is de belasting als volgt
weergegeven;
iedere wagen geladen met goederen 1 Albus,
een paardenvoet 1 Heller,
1 ossenvoet 1 Heller
1 koeienvoet 1 Heller,
1 varkensvoet 1 Heller,
1 schaapvoet 1 Heller,
1 koppel grote ganzen 1 Heller.
Deze tol werd aanvankelijk van meerdere jaren in een boek
op de burcht
bijgehouden.
Later werden de belastingrechten voor een bepaalde som
verpacht.
Bovendien had de burchtheer van Odenkirchen inkomsten uit
wijn- en bieraccijns en accijns over 195 vruchten.
Aan het slot en burcht Odenkirchen waren ook nog in en
buiten het landgoed
gelegen goederen leenplichtig.
Het regaliënboek geeft het volgende aan;
De hof van Guddenrath bij deze Reifferscheyds Hof genaamd,
is met inbegrip van molen, landerijen, bos, boomgaarden, en weiden een leengoed
toebehorende aan het slot en burcht.
Dat had Heinrich von der Dussel en zijn vrouw Christina
Brauns en hun beider
erfgenaam Anna von Vlodorff (weduwe), op de 1e juni anno
vierenzeventig
overgedragen aan Wilhelm Voorman te Kessel, hij was
stadhouder en voogd van
Wickenrath en Dederichen von Gunhoven.
De andere opsommingen van boerenbedrijven zijn niet
belangrijk voor de
geschiedenis van Odenkirchen en zijn daarom weggelaten.
Noot van de vertaler:
dit artikel geeft inzage in het leven en welzijn in die tijd, ik hoop dat het
de lezer duidelijk is.
Roofridders.
In de middeleeuwen stond het ridderdom voor geestelijke
en morele
ontwikkelingen. Er werd van de ridders verlangd dat zij
alles zouden doen voor de edelen en voor de zwakken, voor het vaderland in
nood, de kerk en de vrouw.
Zij beleefden in die tijd van kruisridders een opbloei.
De ridderorden, die zich bezig hielen met werken van
naastenliefde, waren hoofdzakelijk de Johanieters, de Tempelers en de
Duitseheren. In de dertiende eeuw kwamen de ambtenaren de ridderstand
versterken.
Door de opbloei van de steden en de handelstand verloren
de ridders aan het einde van de dertiende eeuw belangrijke inkomsten.
De ridderstand verloor belangrijke opdrachten op sociaal,
geestelijk en moraal
gebied.
Als gevolg hiervan kwamen vele ridders in financiële nood
te verkeren en hadden
grote schulden. Zij boden zich tegen betaling aan om voor
anderen als krijgsheren op te treden, of pleegden overvallen en rooftochten.
Zo begon het verval van het ridderdom. In de 14e en 15e
eeuw bereikte het
roofridderdom het hoogtepunt.
Het was in die tijd gewoon om een buur of stad die
zwakker was aan te vallen.
Alleen de uiterste
vormen moesten bewaard worden. In het toen gebruikelijke
recht werd een twist met een stad of een ridder
uitgevochten met de wapens in de
hand. Men kon een tegenstander gevangen nemen en in de
kerker gooien maar men
mocht de gevangene niet doden.
Het hoofddoel van de roofridders was om een ridder
gevangen te nemen en een zo hoog mogelijk losprijs te verkrijgen.
Het is voorgekomen dat bij de dood van een tegenstander
er een schade vergoeding verlangd werd en verkregen.
Door de opbloei van de steden ontwikkelde zich een
belangrijke handel tussen
Rijnland en de Nederlanden. Wagens met waardevolle
goederen waren een welkome
buit voor de roofridders.
De roofridders onderling hadden ook twisten die
uitgevochten moesten worden of
zij gingen gezamenlijk de strijd aan met de rijke grote
steden.
Met de toenmalige wapens was het zeer moeilijk om, de met
wallen en grachten versterkte, roofridderburchten aan te vallen.
In moeras of woud hadden zij ook een ideale plaats zich
te verbergen. Meestal
moesten de burchten uitgehongerd worden, dat kostte veel
tijd en geld.
In het jaar 1402 heeft Diderich von Wickrath een twist
met de stad Keulen bekend
gemaakt en in 1412 Keulse kooplieden geplunderd.
De stad Keulen kon zich slechts verweren door van hem van
1424 tot 1427 een
jaarlijkse rente te verlangen.
De roofridders bezaten alle burchten in de omgeving van
Dyck, Liedberg, Rheidt,
Busch bij Wevelinghoven, Kriekenbeck, Haus
Horst,Gripehoven, Linn en ook de
burcht Odenkirchen.
De landvorsten zagen de gewelddaden van de roofridders
met genoegen aan, enkele maakten gebruik van de roofridders om tegenstanders te
schaden.
Tot de meest gevreesde roofridders behoorde ook Gerard V
von Odenkirchen
(1365 -1391).
Hij kwam vanwege de erfgoederen van zijn vrouw in strijd
met de stad Keulen.
Als helper van de stad Keulen was de voogd Gumbrecht von
Alpen verplicht de
burgers van de stad Keulen bij te staan in hun strijd
tegen de roofridders, en
beloofde uit liefde voor de stad Keulen, dat schade door
brand of roof ontstaan,
te vergoeden.
De roofgezellen van Gerhard von Odenkirchen waren o.a.
zijn zwager Herman von
Lievendal, zijn neef Rabodo von Horst, zijn bastaard
broers Reinart en Godart,
Hense von Horst, Johan von Rorenfeld, Heirich von
Mulfort, Johan Westefeling von
Sassenrath. Van Boon tot Alphen, van de Maas tot
Bergischen gingen de boerderijen in vlammen op, zij trokken in de vroege
ochtenduren na een stevige dronk, samen met de gewapende vrienden en knechten
van Odenkirchen er op uit, er was geen enkele leverantie veilig.
Hele kudden schapen, koppels paarden, tonnen wijn en
andere waren, brachten zij
des avonds thuis.
Bij deze overvallen is aan de kant van Alphen, Gerhard
Prinz om het leven
gekomen en er waren vele gewonden, waarop de stad Keulen
een grote menigte goed
gewapende burgers en soldaten zond om de burcht
Odenkirchen te bestormen en de
burchtgraaf tot onderwerping te dwingen.
Door tussenkomst van aartsbisschop Cuno von Trier kwam er
op 30 augustus 1371 een vrede tot stand, waarin de Burchtgraaf van Odenkirchen
zich verplichtte zijn gehele leven niet meer aan heimelijk of openlijk, tegen
de burgers van de stad Keulen, gerichte gewelddadige acties deel te nemen.
Hoe moeilijk het was om de macht van de roofridders te
breken blijkt uit het
feit,dat de som van de schade door Gerhard von
Odenkirchen veroorzaakt, de voor
die tijd het geweldige bedrag van 41.584 mark en 9
Schilling bedroeg.
Gerhard V heeft de vrede met de stad Keulen niet gebroken, zijn zoon Gerhard
echter wel.
Hij had dezelfde rooflust als zijn vader. Reeds in 1337
was hij gevangen genomen
door de Keulse soldaat Gerhard Kaltenbecker, maar door
bemiddeling van de
familie Wimar Huicking von Guddrath vrijgelaten.
In het jaar 1338 heeft Gerhard de eed van zijn vader
gebroken en is hij met
vrienden en gezellen aan het plunderen geslagen, en de
gehele omgeving leefde in
angst.
In de brief die de gezellen aan de stad Keulen stuurden
stond, dat zij de
Burchtgraaf von Odenkirchen liever hadden dan de lui van
Keulen. Daarom
willen wij de vijand zijn van Keulen, voor het onrecht
dat de Burchtgraaf von
Odenkirchen is aangedaan.
Gerhard plunderde in Mengenich de Hof van Costin von
Horne van Widdersdorp, stak twee schuren in brand en roofde al het vee dat niet
aan de vlammen ten offer was
gevallen. Bij Gerhard von Roedstok von Lovenich
vernietigde hij de huisraad en
dreef 200 schapen weg.
In Uckerath stak hij de brand in het woonhuis van
Elisabeth Jude, twee
schuren, een achterhuis en de stallen.
Bij Margaretha von Tempel de boerderij Nieveheim.
In het jaar 1384 lukte het de vrede tussen de stad Keulen
en Gerhard von Odenkirchen te sluiten en er werd een straf opgelegd.
Zijn vader verklaarde in 1384 dat hij niet deelgenomen
had aan de branden,
veroorzaakt door zijn zoon.
Er is reeds op gewezen dat de mensen van adel grote
schulden hadden zo ook
Gerhard V.
De bewoners van Lombardijen hadden reeds in de 13e eeuw
het geldwisselkantoor voor bijna geheel Europa.
Al in het jaar 1371 gaf Gerhard von Odenkirchen, Arnold
von Alphen 251 Schild gulden die hij geleend had van een Lombard in Erkelens;
van de gebroeders Johan en Alberich von Montala en Jacob von Avelonten.
In het jaar 1375 betaalde hij zijn schuld bij de burger
Dulke Peltz en Keutis
van 33 Brabantse mark. In 1384 heeft Gerhard von
Odenkirchen bij de lommert van
Dulkener te Roermond alle schulden afbetaald met
uitzondering van een bedrag
van 600 gulden. Ook had Gerhard von Odenkirchen samen met
ridder Rabodo von
Horst een schuld van 560 Gulden bij Johan von Bachum. Uit
de tijd van Gerhard V
(1365 - 1391) is nog het volgende te vermelden; Gerhard
en zijn zoon lagen in
strijd met Arnold von Breidenbend en verklaarden zich
bereid om 25 Gulden te
betalen.
Een magister Nicolaus von Dryton verklaarde dat hij aan
zijn gevangenschap op
het slot Odenkirchen met zachtmoedigheid behandeld was.
In 1372 tekent burchtgraaf von Odenkirchen een oorkonde waarin staat:
"Gerhard von Odenkirchen een oprechte man van Keulen".
Noot van de vertaler: het relevante is vertaald,
onbelangrijke tekst is
achterwege gelaten. Is getekend te Oslo Noorwegen den 22
April 2004
B.G.J.Odenkirchen.